Bunzing
De bunzing is een klein roofdier dat behoort tot de marterachtigen, de familie waar ook wezel, hermelijn en fret toe behoren. Het dier heeft een slank lichaam, een lange staart en korte poten, wat het een sierlijke en wendbare verschijning maakt. Volwassen bunzingen zijn meestal 35 tot 45 centimeter lang, zonder de staart, en wegen tussen de 500 en 800 gram. De staart zelf is vaak 15 tot 20 centimeter lang en draagt meestal een zwarte punt.
Qua vacht heeft de bunzing een vrij herkenbare kleur: de rug is bruin met een gelige onderzijde, en het gezicht draagt vaak een soort masker rond de ogen, wat een beetje op een bandietenmasker lijkt. In de winter kan de vacht lichter worden, bijna crème van kleur, om beter te isoleren tegen de kou.
Bunzingen zijn nachtdieren en solitair, wat betekent dat ze meestal alleen leven behalve tijdens de voortplantingsperiode. Ze zijn vleeseters en eten vooral kleine zoogdieren zoals muizen, ratten en konijnen, maar ook vogels, insecten en soms eieren of bessen. Ze zijn erg behendig en kunnen goed rennen, springen en klimmen, waardoor ze een breed scala aan prooien kunnen vangen.
Het territorium van een bunzing kan behoorlijk groot zijn, en het dier markeert zijn gebied met geurklieren om andere bunzingen op afstand te houden. Bunzingen zijn ook bekend om hun sterke geur: als ze zich bedreigd voelen, kunnen ze een zeer penetrante, muskusachtige geur afgeven als verdediging.
Voortplanting gebeurt meestal in de lente. Na een draagtijd van zo'n 40 tot 45 dagen worden 3 tot 7 jongen geboren. De jongen zijn aanvankelijk blind en hulpeloos, maar ontwikkelen zich snel en zijn na ongeveer twee maanden zelfstandig genoeg om het nest te verlaten.
Bunzingen komen in veel delen van Europa en Azië voor en voelen zich het meest thuis in gemengde landschappen van bos, grasland en agrarisch gebied. Ze zijn aanpasbaar en kunnen zich redelijk goed handhaven dicht bij menselijke bewoning, zolang er voldoende voedsel en schuilplaatsen zijn.
